Machines ( Motorvermogen/Toerental )

Eén van de belangrijkste voorwaarden voor het vloeiboorproces is het juiste toerental. Als grondregel geldt, hoe kleiner de kerngatdiameter, des te hoger is het benodigde toerental. Het toerentalbereik moet bij kolomboormachines en bij NC resp. CNC-machines tussen 1.000 und 3.500 RPM liggen en zo mogelijk traploos regelbaar zijn. Het motorvermogen moet afhankelijk van de materiaaldikte, materiaalkwaliteit en kerngatdiameter tussen 0,5 und 3,5 kW liggen

   

 

 

   
Voeding

Afhankelijkvan het soort machine en bewerkingscentrum (kolomboormachine, NC of CNC gestuurde machines) zijn in principe de volgende voedingssoorten voor het vloeiboren geschikt:

  • Handmatige voeding
  • De sturing van het vloeiboorproces geschiedt per hand via het aandrijfwerk van de voedingseenheid

  • Constante voeding
  • Tijdens het gehele vloeiboorproces bijv. 100 mm/min. Dit wordt toegepast op kolomboormachines met automatische voeding.

  • Variabele of stapsgewijze voeding
  • Tijdens het vloeiboorproces wordt de voedingssnelheid stapsgewijs veranderd, waardoor kortere procestijden en langere boorstandtijden mogelijk zijn. Dit is in de regel allen bij NC of CNC gestuurde eenheden mogelijk. Op verzoek stellen we de benodigde data ter beschikking, welke ook rekening houden met de resp. materiaaldiktes en materiaalkwaliteit.

     
    Axialkracht

    De axiaalkracht, ook „aanzetkracht“ genoemd, is de kracht waarmee de vloeiboor op en in het te bewerken werkstuk wordt gedrukt. Bij werkstukken met zeer dunne wand (< 1,5 mm) moet op de deformatie bij het begin van het vloeiboorproces worden gelet en dient men mogelijkl voor ondersteuning zorg te dragen. Eventueel kan met een voorboring d.m.v. een spiraalboor of met behulp van een vloeiboor van het type "REM" een reductie van de axiaalkracht bewerkstelligd worden.

     

       
     
         
    Gereedschapopname

    De spantanghouder met opnameschacht volgens de norm MC2 of MC3 kan in de meeste kolomboormachines gebruikt worden. Hij waarborgt een optimale zetting van de vloeiboor. De aluminium koelring met lamellen leidt de warmte weg, die anders via de vloeiboor op de machinespindel wordt overgedragen. Naar wens kan de spantanghouder met koelring ook met een cylindrische schacht of met CNC opname (HSK40E, HSK50E) geleverd worden.

     

     
     

    Smering

    Om een optimale standtijd van de vloeiboor en kwaliteit van de gevormde bus te krijgen, dient op een regelmatige smering van de vloeiboor gelet te worden. Smering kan of met de hand m.b.h. van een kwastje of met een automatische doseerinrichting aangebracht worden.

       
     
       

    Voorboring

    Vloeiboren kan ook in een voorgeboord gat plaats vinden. Dit is noodzakelijk wanner de buslengte gereduceerd moet worden. Bovendien verkrijgt men zo een gladde busrand. In de regel is met een voorboring minder axiaalkracht nodig, wat in het bijzonder bij zeer dunne materialen (< 1,5 mm) noodzakelijk kan zijn om deformatie te vermijden.

     
     

    Praktische regels

    Voorwaarden voor succesvol vloeiboren zijn:

    • Juist toerental en kW-vermogen van de machine bij de gewenste toepassing
    • Gebruik van de aanbevolen gereedschapsopname
    • Regelmatige controle van de opspanning van de vloeiboor (naspannen)
    • Instelling van de start- en eindpositie van de vloeiboor (nulpunt en diepteinstelling)
    • Keuze van de benodigde voedingssnelheid (mm/min.) in relatie tot materiaalsoort en –dikte
    • Regelmatige smering van de vloeiboor
    • Vaste en vlakke opspanning horizontaal van het te bewerken werkstuk
    • Bij het vloeiboren dient in het bijzonder, bij het aanbrengen van de smering en bij gebruik van vloeiboren welke spanen verwijderen, gelet te worden op het juiste gebruik van beschermingsmiddelen.